MOOI-subsidie voor elektriciteitsinnovatie
Subsidie voor samenwerkingsverbanden die innovaties voor zonne- en windenergie onderzoeken en ontwikkelen, van energieparken op zee tot flexibelere en betrouwbaardere opweksystemen.
MOOI ondersteunt samenhangend onderzoek en ontwikkeling vanuit verschillende kennisgebieden, met onder meer pilots om innovaties te testen. Bestaat het hele project uit een pilot, dan verwijst RVO naar DEI+. De elektriciteitsmissie kent vier routes:
- Energieparken op zee: lagere kosten of meer waarde, inpassing van hernieuwbare elektriciteit via flexibiliteit, opslag of omzetting, verbetering van de ecologie en hergebruik van materialen en onderdelen.
- Geïntegreerde opweksystemen op land: het verdienmodel van zonne- of windstroomsystemen verbeteren, opslag beter inpassen in de omgeving of aanvullende diensten voor het elektriciteitssysteem ontwikkelen.
- Beheer van opweksystemen op land: goedkoper onderhoud, betere cyberveiligheid, monitoring voor gepland of voorspellend onderhoud en een langere technische en economische levensduur.
- Zonnestroomtechnologie: flexibele perovskietfolies, producten waarin ze worden gebruikt en de benodigde productieapparatuur en -processen. Hierbij moet de hele keten betrokken zijn: kennisinstellingen, machinebouwers, materiaalleveranciers en producenten.
Binnen tien jaar na de start moet de innovatie voor het eerst worden toegepast: een demonstratie in een echte werkomgeving binnen een zonne- of windstroomsysteem. Grootschalige uitrol is niet nodig. Het gesubsidieerde project duurt maximaal vier jaar.
Voor 2026 geldt maximaal €4 miljoen subsidie per project. Een project heeft minimaal €2 miljoen subsidiabele kosten; onderzoeksorganisaties mogen hoogstens de helft daarvan maken. Iedere deelnemer die subsidie ontvangt moet voor minimaal €25.000 in aanmerking komen. Deelnemers die werk bijdragen zonder subsidie te vragen tellen ook mee, maar hun kosten moeten bij het toepasselijke percentage fictief minstens €25.000 subsidie opleveren.
De maximale bijdrage is 60% van de subsidiabele kosten voor kleine ondernemingen, 50% voor middelgrote en 40% voor grote ondernemingen. Onderzoeksorganisaties kunnen 80% krijgen voor niet-economische activiteiten, zoals onafhankelijk onderzoek in plaats van betaald contractonderzoek. Zonder daadwerkelijke samenwerking dalen de ondernemingspercentages met 15 procentpunten. Voor de hogere percentages moet óf minstens één onderneming een mkb-bedrijf zijn en mag geen onderneming meer dan 70% van de subsidiabele kosten dragen, óf moeten onderzoeksorganisaties minstens 10% dragen en hun eigen resultaten mogen publiceren.
Subsidiabele onderzoeks- en ontwikkelingskosten omvatten personeel, apparatuur met toepassing van afschrijving en restwaarde, verbruikte materialen en uitbesteed werk. Routinematige verbeteringen gelden niet als onderzoek of ontwikkeling. Voor overige activiteiten die het projectdoel ondersteunen, zoals participatie of kennisverspreiding, geldt een apart subsidieplafond: 5% van de totale subsidiabele projectkosten, maximaal €350.000 per project en €300.000 per onderneming. Economische overige activiteiten vereisen een getekende de-minimisverklaring: daarin verklaart u hoeveel ruimte resteert binnen de grens van €300.000 kleine steun over drie jaar. Verbonden ondernemingen delen die grens. Bij onderzoeksorganisaties geldt alleen brede, niet-exclusieve en niet-discriminerende verspreiding van onderzoeksresultaten als niet-economische overige activiteit.
Kosten voor een controleverklaring en binnenlandse reizen zijn niet subsidiabel. Administratief projectmanagement valt uitsluitend onder overige projectactiviteiten.
Voorwaarden
- Vorm een gevarieerd samenwerkingsverband met minimaal drie ondernemingen die niet tot dezelfde groep behoren. Deelnemers leveren een wezenlijke bijdrage voor eigen rekening en risico, met evenwichtige financiële en inhoudelijke bijdragen. U mag niet het hele project uitbesteden. Als onderzoeksorganisatie kwalificeren universiteiten, hogescholen, de Nederlandse TO2-instellingen voor toegepast onderzoek (Deltares, MARIN, NLR, TNO en Wageningen Research) en vergelijkbare buitenlandse organisaties.
- Een onderneming die subsidie ontvangt heeft bij betaling een vaste inrichting of dochteronderneming in Nederland. Een vaste inrichting heeft duurzaam personeel en technische middelen; alleen een postadres is onvoldoende. Buitenlandse ondernemingen zonder zo’n vestiging kunnen in natura bijdragen zonder subsidie te ontvangen.
- De rijksoverheid, provincies, gemeenten en openbare lichamen onder de Wet gemeenschappelijke regelingen kunnen geen subsidie ontvangen, maar wel deelnemen. Waterschappen kunnen wel subsidie krijgen.
- Onderbouw de technische en economische haalbaarheid en de slaagkans op de Nederlandse markt. Zorg dat uw eigen bijdrage bij de definitieve aanvraag is gefinancierd. De subsidie moet nodig zijn om belangrijke vertraging te voorkomen.
- Start niet, maak geen kosten en ga geen verplichtingen aan vóór de definitieve aanvraag. Start uiterlijk zes maanden na de subsidieverlening. Als een onderzoeksorganisatie meedoet, ondertekent u vóór de start een samenwerkingsovereenkomst over kosten, risico’s, resultaten en intellectuele eigendom. Bij een start vóór de verlening heeft RVO deze tijdens de beoordeling nodig en uiterlijk op de verleningsdatum.
- Ondernemingen vullen het beslisschema van RVO in om te toetsen of zij volgens de Europese regels een onderneming in moeilijkheden zijn. Wie daaronder valt kan alleen met voldoende resterende de-minimisruimte en een verklaring van de uitzondering gebruikmaken; de steun is dan maximaal €300.000 over drie jaar.
- Voor economische overige activiteiten gelden de de-minimisuitsluitingen voor visserij en aquacultuur, primaire landbouwproductie en bepaalde verwerking of afzet van landbouwproducten. Deze uitsluitingen gelden voor die activiteitencategorie.
Andere overheidssteun kan de subsidie beïnvloeden. Volgens de handleiding worden bepaalde bijdragen, zoals SDE++, Horizon 2020 en provinciale of gemeentelijke steun, niet automatisch afgetrokken, maar moet de totale steun binnen de toegestane grenzen blijven. Andere rijkssubsidies worden wel afgetrokken. Onderzoeksorganisaties hebben uitzonderingen voor financiering van hun eigen aandeel uit bepaalde publieke middelen, waaronder algemene exploitatie- of investeringsbijdragen van het Rijk als de beschikking deze activiteiten toestaat.
Maak een plan om tijdens het project kennis te verspreiden; concurrentiegevoelige informatie hoeft u niet te delen. Bij de vaste-uurtariefsystematiek mag uw eigen bijdrage niet uitsluitend uit eigen loonuren bestaan. U mag geen werk uitbesteden aan een partij waarmee u bent verbonden in een groep, commanditaire vennootschap, vennootschap onder firma of maatschap.
Aanvragen
- Status
- gesloten
- Opent
- Sluit
- Voorwaarden voor deze aanvraagronde
- Alleen na een tijdige volledige vooraanmelding en ontvangen advies; maximaal één definitieve aanvraag per vooraanmelding. Gesloten.
De ronde van 2026 is gesloten. Verplichte vooraanmelding was mogelijk van 17 maart tot en met 16 april 2026. Definitieve aanvragen konden van 2 juni tot en met 3 september 2026 worden ingediend, met sluiting om 17.00 uur Nederlandse tijd. Alleen na een tijdige volledige vooraanmelding en advies van de adviescommissie kon een definitieve aanvraag volgen. Ook na een negatief advies mocht u een verbeterde aanvraag indienen. Eén vooraanmelding kon tot maximaal één definitieve aanvraag leiden.
Voor deze ronde machtigde het samenwerkingsverband één deelnemer als penvoerder om via RVO in te dienen, met eHerkenning niveau 3 en machtiging voor RVO-diensten. De definitieve aanvraag vereiste onder meer een projectplan, begroting, machtigingen van deelnemers en documenten over de financiële toestand of de toepasselijke de-minimisverklaring. Het projectplan bevat meetbare mijlpalen en beslismomenten over voortzetting. RVO rangschikt aanvragen op bijdrage aan de missie, vernieuwing, slaagkans in de Nederlandse markt en maatschappij, projectkwaliteit en kwaliteit van het samenwerkingsverband. Elk criterium vereist minimaal 6 van 10 punten; toekenning volgt de rangschikking totdat het budget op is.
Een deelnemer die werk bijdraagt zonder subsidie te vragen moet op eigen briefpapier een ondertekende verklaring aanleveren met het bedrag van de bijdrage, de activiteiten en de reden om zonder subsidie mee te doen. Neem de activiteiten en kosten op in het projectplan en de begroting, met €0 aangevraagde subsidie. Stuur de verklaring mee met de aanvraag; zonder deze verklaring wijst RVO de aanvraag af als onvolledig.
Via de MOOI-aanvraagpagina van RVO kunt u een bestaande aanvraag bekijken. Gesubsidieerde projecten die langer dan twaalf maanden duren leveren jaarlijks een voortgangsrapportage in. Ontvangers vragen binnen dertien weken na afloop vaststelling van de subsidie aan, met een openbaar eindverslag.