MOOI-subsidie voor industriële innovatie

Rijksdienst voor Ondernemend NederlandNederlandtot 4 mln. EURgesloten

Subsidie voor samenwerkingsverbanden die nieuwe grondstoffen omzetten of technologie voor industriële energiehubs ontwikkelen om de industrie klimaatneutraal en circulair te maken.

MOOI: Industrie ondersteunt samenhangend onderzoek en ontwikkeling voor een klimaatneutrale, circulaire industrie die past in het energiesysteem. De missie van 2026 heeft twee thema’s:

  • Nieuwe koolstof- en stikstofhoudende grondstoffen, zoals biogebaseerde of synthetische methanol, synthesegas en ammoniak, efficiënt omzetten in industriële producten zoals kunststoffen, oplosmiddelen of kunstmest. Koolstofafvang en langdurige koolstofvastlegging vallen buiten dit thema. Dat geldt ook voor systeemveranderingen zonder innovatie in conversietechnologie en waardeketens.
  • Technologie ontwikkelen voor industriële Multi-Commodity Energy Hubs: groepen bedrijven die elektriciteit, warmte, waterstof of andere energiedragers koppelen. Je onderzoekt hoe de technologie in zo’n hub past. Een hub bouwen zonder onderzoek naar industriële technologie, of één losse technologie verbeteren zonder de toepassing in een hub te onderzoeken, valt hier niet onder.

De innovatie moet binnen tien jaar na de projectstart een eerste toepassing bereiken. Je demonstreert de oplossing in een werkende industriële omgeving door deze in een deel van een industrieel proces toe te passen. Grootschalige uitrol is nog niet nodig.

De subsidie bedraagt in 2026 maximaal €4 miljoen per project. Het project heeft minimaal €2 miljoen aan subsidiabele kosten; onderzoeksorganisaties dragen maximaal 50% daarvan. Iedere gesubsidieerde deelnemer moet voor minimaal €25.000 subsidie in aanmerking komen. De kosten van een deelnemer die geen subsidie aanvraagt tellen alleen mee als die kosten met het toepasselijke percentage fictief minimaal €25.000 subsidie opleveren.

De maximale vergoeding van subsidiabele kosten is 60% voor kleine, 50% voor middelgrote en 40% voor grote ondernemingen. Onderzoeksorganisaties krijgen maximaal 80% voor niet-economische activiteiten, zoals onafhankelijk onderzoek in plaats van commercieel contractonderzoek. Voor ondernemingen gaat er 15 procentpunten af tenzij de samenwerking óf een mkb-bedrijf bevat en geen onderneming meer dan 70% van de kosten draagt, óf onderzoeksorganisaties minimaal 10% dragen en hun eigen onderzoeksresultaten mogen publiceren.

Subsidiabele onderzoeks- en ontwikkelingskosten omvatten personeel, verbruikte materialen, werk van derden en machines of apparatuur met toepassing van afschrijving en eventuele restwaarde. Gewone aanpassingen zijn geen onderzoek en ontwikkeling. Andere activiteiten die bijdragen aan het project kunnen ook subsidie krijgen: maximaal 5% van de totale subsidiabele projectkosten, €350.000 per project en €300.000 per onderneming. Voor overige economische activiteiten is een de-minimisverklaring nodig. De onderneming en verbonden ondernemingen moeten ruimte hebben binnen de grens van €300.000 over drie opeenvolgende jaren. Voor onderzoeksorganisaties geldt als overige niet-economische activiteit alleen brede, niet-exclusieve en niet-discriminerende verspreiding van onderzoeksresultaten.

Andere subsidies van de rijksoverheid worden van de MOOI-subsidie afgetrokken. Volgens de handleiding gebeurt dat niet vooraf bij SDE++, Horizon 2020, EU-REACT, NOW en subsidies van provincies, gemeenten, waterschappen en openbare lichamen. De totale steun moet wel binnen het toegestane steunplafond blijven.

Voorwaarden

  • Onderbouw hoe de technologie werkt en wat de slaagkans van je innovatie in de Nederlandse markt en maatschappij is.
  • Werk in een gevarieerd samenwerkingsverband met minimaal drie ondernemingen die niet met elkaar in een groep verbonden zijn. Deelnemers werken voor eigen rekening en risico, leveren een wezenlijke bijdrage en betrekken toekomstige gebruikers of afnemers. Je mag het project niet volledig uitbesteden.
  • Ondernemingen die subsidie ontvangen moeten bij de betaling een vaste inrichting of dochteronderneming in Nederland hebben. Dat betekent duurzame aanwezigheid met personeel en technische middelen; een postbus is niet genoeg. Buitenlandse ondernemingen zonder die aanwezigheid kunnen zonder subsidie meedoen. Universiteiten, hogescholen, Nederlandse instellingen voor toegepast onderzoek en vergelijkbare buitenlandse instellingen kunnen als onderzoeksorganisatie deelnemen.
  • De rijksoverheid, provincies, gemeenten en openbare lichamen onder de Wet gemeenschappelijke regelingen mogen deelnemen maar krijgen zelf geen subsidie. Waterschappen kunnen wel subsidie ontvangen.
  • Zorg bij de aanvraag dat je eigen aandeel is gefinancierd en onderbouw dit. RVO moet vertrouwen hebben in de technische en economische haalbaarheid en de financiering van het project. Je eigen aandeel mag niet alleen bestaan uit eigen loonuren berekend met het vaste uurtarief inclusief opslag.
  • Ondernemingen doorlopen het digitale beslisschema van RVO voor ondernemingen in moeilijkheden en sturen het resultaat en de getekende verklaring mee. Een onderneming die volgens deze toets in moeilijkheden verkeert kan de-minimissteun aanvragen als nog ruimte bestaat binnen €300.000 over drie jaar. Ook dan moet de financiering van het project voldoende zijn.
  • Begin niet met het project, maak geen kosten en ga geen verplichtingen aan vóór de definitieve subsidieaanvraag. Start binnen zes maanden na subsidieverlening en rond de projectactiviteiten binnen vier jaar af.
  • Met een onderzoeksorganisatie als partner moet vóór de projectstart een getekende samenwerkingsovereenkomst naar RVO. Leg bijdragen, risico’s, resultaten en intellectuele-eigendomsrechten vast, zodat ondernemingen geen indirecte steun ontvangen via de onderzoeksorganisatie.
  • Verspreid tijdens het project de opgedane kennis; concurrentiegevoelige informatie hoef je niet te delen. Voor overige projectactiviteiten zijn ondernemingen in visserij en aquacultuur, primaire landbouw en de in de de-minimisverordening genoemde gevallen van verwerking of afzet van landbouwproducten uitgesloten.

Aanvragen

Status
gesloten
Opent
Sluit
Voorwaarden voor deze aanvraagronde
  • Gesloten. Alleen tijdige volledige vooraanmeldingen met advies van de commissie konden doorgaan; geen directe instap in deze fase.
  • Maximaal één definitieve aanvraag per vooraanmelding; het advies was niet bindend.

De ronde van 2026 is gesloten. De verplichte vooraanmelding liep van 17 maart tot en met 16 april 2026; de definitieve aanvraag van 2 juni tot en met 3 september 2026. Voor de definitieve aanvraag was een tijdige, volledige vooraanmelding en advies van de Adviescommissie MOOI nodig. Nieuwe aanvragers konden niet pas in de tweede fase instappen. Het advies was niet bindend: ook na negatief advies mocht je een verbeterde aanvraag indienen. Iedere vooraanmelding kon tot maximaal één definitieve aanvraag leiden.

Het samenwerkingsverband wijst een penvoerder aan die door iedere deelnemer wordt gemachtigd. Deze dient de aanvraag in via het online loket van RVO met eHerkenning niveau 3 en de machtiging voor RVO-diensten. De definitieve aanvraag bevat onder meer het projectplan, de begroting, het advies en toepasselijke getekende verklaringen en machtigingen. De aanvraag moet op tijd volledig zijn; aanvullen na sluiting van de tender mag niet.

RVO rangschikt aanvragen die aan de eisen voldoen en geeft de beste projecten subsidie totdat het budget op is. Bestaande aanvragers kunnen via de officiële MOOI-aanvraagpagina hun aanvraag bekijken, wijzigingen doorgeven en vaststelling aanvragen. Duurt het project langer dan twaalf maanden, dan moet je jaarlijks een voortgangsrapportage indienen.

Het projectplan noemt wie elke activiteit uitvoert, de kosten en meetbare mijlpalen. Neem beslismomenten op die aangeven wanneer resultaten bepalen of het project doorgaat.

Officiële bronnen