STUDI – studies voor industriële verduurzaming

Rijksdienst voor Ondernemend NederlandNederlandtot 4 mln. EURsluit 31 mrt 2027

Subsidie voor ondernemingen en partners om industriële verduurzaming te onderzoeken vóór een pilot, demonstratie of project met uitontwikkelde technologie in Nederland.

STUDI vergoedt studies waarmee je beslist of je investeert in een pilot, demonstratie of project met uitontwikkelde technologie. Het vervolgproject moet binnen tien jaar na afloop van de studie de CO₂-uitstoot van industriële processen in Nederland kosteneffectief verminderen. De regeling heette eerder TSE Industrie studies.

Een haalbaarheidsstudie bereidt een pilot voor en onderzoekt sterke en zwakke punten, kansen, risico’s, benodigde middelen en slaagkans. Een milieustudie bereidt een demonstratie of investering in uitontwikkelde technologie voor die past binnen de investeringssteun voor milieubescherming van de Europese Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV). Een vergelijkbare studie bereidt zo’n investering voor als die AGVV-route niet van toepassing is; daarvoor gelden de algemene de-minimisregels.

De studie bestaat vooral uit bureauonderzoek: literatuur- en marktonderzoek, concurrentieanalyse, onderzoek naar vergunningen en juridische haalbaarheid, een businesscase, voorontwerp en onderdelen van Front End Engineering Design (FEED). Alleen werkzaamheden die nodig zijn voor de investeringsbeslissing komen in aanmerking. De subsidie betaalt de studie, niet de bouw van het vervolgproject.

De algemene route ondersteunt industriële CO₂-reductie buiten de routes voor waterstof/groene chemie en vergassing van reststromen. Voorbeelden zijn energiebesparing, vervanging van primaire grondstoffen door teruggewonnen of gerecyclede grondstoffen, CO₂-afvang en elektrificatie.

Voor het hele STUDI-programma vallen onder de doelstelling ook vermeden emissies van nieuwe fabrieken met activiteiten die nieuw zijn in Nederland, vergeleken met een gangbare referentie-investering die aan Nederlandse minimale milieustandaarden voldoet; afvang van atmosferische of biogene CO₂ voor glastuinbouw, synthetische brandstoffen of langdurige/permanente vastlegging; duurzame transportbrandstoffen; en productie/import van hernieuwbare waterstofdragers voor industrie en mobiliteit. Waterstofactiviteiten horen bij de route Waterstof en groene chemie met het afzonderlijke budget; vergassing hoort bij de eigen route.

De route Waterstof en groene chemie (GroenvermogenNL) ondersteunt grootschalige opslag, omzetting en importketens van waterstofdragers; hernieuwbare waterstof als industriële brandstof of grondstof in sectoren met weinig andere verduurzamingsmogelijkheden, inclusief synthetische brandstoffen; groene elektronen voor koolstofgebaseerde elektrochemische reacties en plasmatechnologie; productie van hernieuwbare waterstof via elektrolyse en innovaties die deze productie versneld mogelijk maken; en fabrieken voor elektrolysers of onderdelen die hernieuwbare waterstof produceren. Importfaciliteiten moeten energie-infrastructuur volgens AGVV-artikel 2(130)(c) of specifieke infrastructuur volgens artikel 2(33) zijn. Controleer voor de categorie energie-infrastructuur de fysieke energieapparatuur en voorzieningen: deze moeten in de EU liggen of de EU verbinden met een land daarbuiten en passen binnen de waterstofcategorieën in de officiële AGVV-definities. Specifieke infrastructuur is ontworpen voor één vooraf geïdentificeerde gebruiker of een kleine groep vooraf geïdentificeerde gebruikers en op hun behoeften aangepast. Benoem dus die gebruikers en de behoeften waarin de voorziening voorziet. De productie van elektrolysers moet een milieuvoordeel hebben tegenover de gangbare productie.

De vergassingsroute onderzoekt hoe geheel of deels biogene reststromen groen gas, biobrandstoffen of circulaire industriële grondstoffen kunnen opleveren, ook gecombineerd, bijvoorbeeld als methanol. De studie kan voorbehandeling, torrefactie, vergassing, reiniging en opwaardering omvatten. Biogene grondstoffen zijn organisch materiaal van biologische oorsprong, zoals afval uit landbouw, voedselproductie of bosbouw. Het materiaal moet onder een grondstofcategorie in bijlage IX van de Richtlijn hernieuwbare energie vallen: deel A bevat vooral afvalstoffen en residuen, deel B vooral afvalvetten zoals gebruikt frituurvet. Controleer de precieze vermelde categorie voor jouw materiaal; alleen organisch zijn maakt een reststroom niet subsidiabel. De NEa-uitleg over grondstoffen licht deze categorieën toe. De beoogde commerciële installatie moet een nominaal thermisch ingangsvermogen van minimaal 5 MW hebben en minimaal 40% biogene grondstoffen gebruiken, gemeten naar energiewaarde.

Voor alle routes is de vergoeding maximaal 50% van de subsidiabele kosten voor grote ondernemingen en onderzoeksorganisaties, 60% voor middelgrote ondernemingen en 70% voor kleine ondernemingen. Voor haalbaarheids- en milieustudies geldt maximaal €4 miljoen bij de algemene en waterstofroute en €3 miljoen bij de vergassingsroute. Diezelfde grenzen gelden voor alle studies voor hetzelfde vervolgproject binnen één openstellingsperiode, ook bij afzonderlijke fases of procesonderdelen.

Voor vergelijkbare studies geldt de resterende ruimte voor algemene de-minimissteun: maximaal €300.000 per enkele onderneming over drie jaar. Verbonden bedrijven met zeggenschapsbanden, zoals meerderheid van stemrechten, benoemingsrechten of overheersende invloed, tellen samen, ook bij indirecte banden. Tel alle de-minimissteun mee op het moment van toekenning, ook als die nog niet is uitbetaald. Het is geen nieuw tegoed per STUDI-aanvraag.

De drie budgetten voor 2026–27 zijn gescheiden: €28,3 miljoen algemeen, €10 miljoen waterstof/groene chemie en €7,5 miljoen vergassing. RVO meldde op 13 augustus 2026 dat het algemene budget was overtekend en dat €0 resteerde. Aanvragen bleef mogelijk, omdat afwijzingen geld kunnen vrijmaken. Voor waterstof resteerde op die datum €4.617.521 (46%) en voor vergassing €4.589.622 (61%). Deze gedateerde bedragen garanderen geen subsidie voor een nieuwe aanvraag.

Voorwaarden

Een onderneming kan zelfstandig of met partners aanvragen. Minimaal één deelnemende onderneming moet de resultaten zelf kunnen gebruiken en van plan zijn te investeren in het mogelijke vervolgproject. De samenwerking moet in balans zijn, bijvoorbeeld in de kosten en private/publieke financiering. Gemeenten en provincies mogen meedoen, maar krijgen zelf geen subsidie.

Industrie betekent materiële goederen produceren door grondstoffen te verwerken met veel mechanisering en automatisering. De geldende definitie uit 2026 omvat SBI-hoofdgroepen B, C, D uitsluitend voor energiedistributie en gasproductie, en E. RVO beoordeelt de werkelijke activiteiten; een SBI-code alleen bepaalt niet of je in aanmerking komt.

Buitenlandse partners mogen deelnemen als de activiteiten van alle partners een positief effect hebben op de Nederlandse economie. Een buitenlandse onderneming heeft een vaste inrichting of dochteronderneming in Nederland nodig: een duurzame bedrijfsruimte met voldoende personeel/apparatuur om zelfstandig te functioneren en aan derden te leveren, niet alleen een postadres. Onderzoeksorganisaties kunnen universiteiten, hogescholen, Nederlandse TO2-instellingen en vergelijkbare buitenlandse organisaties zijn. Deelname van een onderzoeksorganisatie is niet verplicht.

Alleen deelnemers die voor eigen rekening en risico meedoen, kunnen subsidie ontvangen. Ingehuurde partijen zijn derden, geen deelnemers. Een groepsbedrijf dat namens een andere rechtspersoon aanvraagt, treedt op als gemachtigd intermediair; iedere deelnemende rechtspersoon vraagt in eigen hoedanigheid aan.

Maximaal 50% van de subsidiabele studiekosten mag uit testwerk bestaan. Ook een testplan opstellen en testmateriaal kopen tellen mee. Tests moeten vragen beantwoorden die nodig zijn voor de investeringsbeslissing. Ontwikkeling of verbetering van een product, proces of dienst is industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling en valt buiten STUDI.

Bij een milieustudie of vergelijkbare studie naar uitontwikkelde technologie komen alleen kosten van ondernemingen buiten je groep en samenwerkingsverband in aanmerking. De aangevraagde subsidie is minimaal €25.000. Bij andere studies is de subsidie voor kosten van een verbonden onderneming met een vaste inrichting in Nederland maximaal €25.000, tenzij die onderneming als aanvragende deelnemer meedoet. Het plafond van €25.000 voor groepskosten geldt niet voor verbonden ondernemingen zonder vaste inrichting in Nederland, omdat zij niet kunnen deelnemen aan de subsidieaanvraag. De volledige uitsluiting van groepsinterne kosten voor studies naar uitontwikkelde technologie blijft gelden.

Begroot alleen redelijke kosten die rechtstreeks met de studie samenhangen en onderbouw die waar relevant met offertes. De algemene spelregels bieden een integrale kostensystematiek, loonkosten met vaste opslag of een vast uurtarief. Voor energie-innovatie is het vaste tarief €80 per uur. Je mag de eigen bijdrage niet financieren met het verschil tussen dit standaardtarief en de werkelijke kosten, of uitsluitend met eigen loonuren die tegen dat tarief worden gerekend.

Dien de aanvraag in voordat je begint of verplichtingen aangaat, ook als facturen nog niet zijn betaald. Start binnen zes maanden na de subsidiebeschikking. De studie duurt maximaal één jaar bij maximaal €1 miljoen subsidie en maximaal twee jaar bij meer dan €1 miljoen.

RVO wijst een studie af bij onvoldoende aanpak, risicobeheersing, uitvoerbaarheid, deskundigheid van partijen of doelmatige inzet van geld. Beschrijf de vervolgstappen bij een positief resultaat. De techniek voor een pilot of demonstratie moet voldoende innovatief zijn. Bij uitontwikkelde technologie moet de onderzochte investering een terugverdientijd van meer dan vijf jaar hebben. Eerder ontvangen subsidie voor uitvoering van het vervolgproject sluit STUDI uit, behalve SDE++.

De algemene route sluit geologische CO₂-opslag op land uit, evenals CO₂-afvang bij elektriciteit of gecombineerde elektriciteit/warmte uit fossiele brandstoffen, behalve bij afvalverbrandingsinstallaties en afvalenergiecentrales. Voor alle STUDI-routes zijn studies naar investeringen in milieubescherming of energie-efficiëntie van apparatuur op fossiele brandstoffen, inclusief aardgas, uitgesloten. Uitbreidingen die de milieubescherming van bestaande apparatuur verbeteren kunnen wel, als productiecapaciteit en verbruik van fossiele brandstoffen niet toenemen.

Voor waterstof laten de regels ook niet-hernieuwbare waterstof uit hernieuwbare elektriciteit toe als de uitstoot over de levenscyclus minimaal 70% lager is dan een fossiele referentie van 94 g CO₂-equivalent/MJ. De deelroutes voor gebruik en productie behouden hun eisen voor hernieuwbare waterstof.

Vergassing sluit projecten uit die syngas direct gebruiken voor warmte of elektriciteit, primair waterstof produceren of primair recycled carbon fuels of biochar produceren. “Primair” betekent dat minimaal de helft van de voeding naar massabalans of energie-inhoud naar één of meer van deze toepassingen gaat. Deze uitgesloten vergassingsprojecten mogen ook niet via de algemene route worden aangevraagd.

Bij AGVV-steun toon je met het digitale RVO-beslisschema en een ondertekende verklaring aan dat je geen onderneming in moeilijkheden bent. De toets onderzoekt de financiële situatie, gewoonlijk op het niveau van de hoogste zeggenschaphebbende onderneming van de verbonden groep. Geld op de bank alleen bepaalt de uitkomst niet. Mkb-bedrijven die op het geplande moment van subsidietoekenning minder dan drie jaar bestaan, krijgen een beperkte controle op daadwerkelijke of dreigende insolventie en lopende reddings- of herstructureringssteun. De leeftijd telt vanaf inschrijving bij de KVK. Bij een verbonden groep moeten alle ondernemingen in die groep bij toekenning jonger dan drie jaar zijn. Eenmanszaken, stichtingen, maatschappen, verenigingen en coöperaties krijgen ook deze beperkte controle. Een onderneming in moeilijkheden kan voor haalbaarheids- en milieustudies de-minimissteun vragen binnen de resterende ruimte van maximaal €300.000 over drie jaar, met het beslisschema en de-minimisverklaring. Alle overige studievoorwaarden blijven gelden.

De algemene de-minimisregels kennen specifieke uitsluitingen voor primaire landbouw- en visserijproductie, bepaalde verwerking/afzet van landbouwproducten, exportgebonden steun, steun afhankelijk van binnenlandse goederen en compensatie voor diensten van algemeen economisch belang. Verklaar welke andere steun je voor dezelfde subsidiabele kosten hebt gekregen en meld nieuwe toekenningen vóór de RVO-beschikking. De totale steun mag het toepasselijke maximale percentage of bedrag niet overschrijden; andere projectsubsidies kunnen STUDI verlagen, ook bij vaststelling.

Laat zien dat iedere partner zijn eigen aandeel en niet-subsidiabele kosten kan betalen. RVO kan afwijzen bij onrealistische financiering, onvoldoende uitvoeringscapaciteit of technische/economische haalbaarheid, onvoldoende stimulerend effect van de subsidie of te grote negatieve economische, ecologische of sociale effecten voor Nederland.

Doet een onderzoeksorganisatie mee, onderteken dan vóór de start een samenwerkingsovereenkomst over kostenbijdragen, risico’s/resultaten, verspreiding en intellectuele eigendom. Voorkom indirecte steun aan ondernemingen: deelnemers kunnen alle kosten zelf dragen; de onderzoeksorganisatie kan rechten op haar werk behouden of daarvoor een marktconforme vergoeding krijgen; of rechten worden verdeeld naar activiteiten, bijdragen en belangen.

Bepaal de bedrijfsgrootte met de RVO-mkb-verklaring. Een klein bedrijf heeft minder dan 50 werknemers in voltijdequivalenten en een jaaromzet of jaarbalans van maximaal €10 miljoen. Een mkb-bedrijf heeft minder dan 250 werknemers en een jaaromzet van maximaal €50 miljoen of jaarbalans van maximaal €43 miljoen. Eigendom en banden met andere ondernemingen tellen ook mee; gebruik de vragen over je bedrijf en groep in plaats van alleen je eigen personeelsaantal.

Aanvragen

Status
sluit 31 mrt 2027
Opent
Sluit
Voorwaarden voor deze aanvraagronde
  • Alleen vergassing van reststromen. Afzonderlijk budget €7,5 miljoen; op 13 augustus 2026 resteerde €4.589.622 (61%). Deze gedateerde stand garandeert geen subsidie. Beoordeling op volgorde van binnenkomst.

Kies op de RVO-aanvraagpagina het formulier voor de algemene, waterstof/groenechemie- of vergassingsroute. Je kunt vooraf vrijwillig het projectideeformulier insturen voor advies. Dien online in met eHerkenning niveau 3 en machtiging RVO-diensten op eH3. Aanvragen of verhogen van het middel kan ongeveer twee weken duren. De openstelling loopt van 18 mei 2026 om 09.00 uur tot 31 maart 2027 om 17.00 uur Nederlandse tijd, met de hierboven beschreven afzonderlijke budgetten.

Een samenwerkingsverband wijst één deelnemer aan als penvoerder. Iedere partner ondertekent een eigen aanmeldings- en machtigingsformulier; buitenlandse partners gebruiken de Engelse versie. Een intermediair gebruikt de eigen eHerkenning en stuurt de ondertekende machtigingen van penvoerder en partners mee. Gebruik de actuele STUDI-modellen voor projectplan en begroting. Voeg een mkb-verklaring toe voor het kleine/middelgrote percentage en het vereiste beslisschema/de verklaring over financiële moeilijkheden en, waar van toepassing, de-minimisverklaring.

Het projectplan is maximaal twintig pagina’s zonder bijlagen. Beschrijf deelnemers en essentiële ingehuurde partijen die belangrijk bijdragen of meer dan 10% van de totale projectkosten vertegenwoordigen, probleem en onderzoeksvragen, werkpakketten/methoden/planning, risico’s, techniek en internationale nieuwheid, vervolginvestering en uitvoering, marktpotentie en kennis/eigendomsafspraken. Kwantificeer de verwachte industriële CO₂-reductie in Nederland, kosten of kosten per ton, toepassingsschaal en aannames. Bij toekenning publiceren RVO en Energy Innovation NL de openbare samenvatting.

Bij eigen middelen stuur je recente jaarcijfers mee en een ondertekende projectspecifieke garantie als je op cijfers van een verbonden onderneming steunt. Bij nieuw vreemd/eigen vermogen stuur je de ondertekende definitieve financieringsovereenkomst mee en toon je de middelen van de financier aan, behalve bij banken en investeringsmaatschappijen. Bij andere financiering stuur je een overeenkomst/officiële toezegging of de beschikbare documenten met planning naar een definitieve afspraak. Voeg beschikkingen van andere publieke subsidies of kopieën van lopende aanvragen toe.

RVO behandelt aanvragen op volgorde van binnenkomst. Na een complete aanvraag volgt normaal binnen acht weken een besluit; dit kan eenmaal met acht weken worden verlengd. In de beschikking staan verplichtingen en het betaalschema. Voorschotten worden gewoonlijk automatisch tijdens het project betaald volgens de begroting en het bedrag per deelnemer. Bij overtreding van verplichtingen kunnen betalingen worden opgeschort en de subsidie worden aangepast of ingetrokken.

Voer het goedgekeurde plan uit. Duurt de studie langer dan twaalf maanden, stuur dan jaarlijks een voortgangsrapportage op de data in de beschikking. Meld belangrijke wijzigingen meteen en vraag vooraf toestemming waar dat nodig is, ook bij vertraging of verschuiving van de einddatum. Bij afrekening op werkelijke kosten gaat het ook om wezenlijke begrotingswijzigingen: kostenposten die meer dan 25% afwijken of totale jaar-/mijlpaalkosten die 25% veranderen. Zonder vereiste toestemming kan subsidie voor gewijzigde onderdelen of de hele studie vervallen.

Vraag binnen dertien weken na de goedgekeurde geplande einddatum vaststelling aan met het eindrapportmodel. Bij bedragen vanaf €25.000 tot onder €125.000 gebruik je de bestuursverklaring en het vaststellingsformulier voor werkelijke kosten en opbrengsten. Vanaf €125.000 lever je een accountantscontroleverklaring aan. RVO stelt normaal binnen dertien weken vast, met eenmaal dertien weken verlenging, en verrekent te veel of te weinig ontvangen voorschotten. Niet tijdig vaststelling aanvragen kan tot terugbetaling leiden.

Bewaar de vereiste gegevens over activiteiten, uren, machinegebruik en kosten tot vijf jaar na de vaststellingsbrief; bewaar bewijs van uitvoering ook als geen volledige kostenadministratie nodig is. Gebruik resultaten vijf jaar zoals bedoeld en werk mee aan evaluatie van de regeling. Beschrijf kennisdeling en afspraken over eigendom, vergoeding of licenties. De-minimissteun wordt geregistreerd in een openbaar Europees register. Onrechtmatige steun kan tot tien jaar na toekenning worden teruggevorderd, inclusief rente bij verklaringen die het plafond of cumulatieregels schenden.

Officiële bronnen