DEI+ waterstof en groene chemie

Rijksdienst voor Ondernemend NederlandNederlandgesloten

Subsidie voor bedrijven die innovaties voor waterstof en groene chemie testen of demonstreren en daarmee de uitstoot in Nederland verminderen; de aanvraagperiode van 2026 is gesloten.

DEI+ ondersteunt pilots, demonstraties en gedeelde testfaciliteiten voor waterstof en groene chemie. U kunt werken aan transport en opslag van waterstofdragers met een conversiestap, hernieuwbare waterstof als brandstof in de industrie, hernieuwbare waterstof als grondstof voor chemicaliën of synthetische brandstoffen, en waterelektrolyse: water met elektriciteit splitsen in waterstof. Elektrochemische omzetting en plasmatechnologie zijn alleen als pilot subsidiabel. Ondersteunende innovaties voor elektrolysers, zoals koeling of zuivering, kunt u afzonderlijk testen in een pilot. Bij een demonstratie moet ook de elektrolyse-installatie waarin u de innovatie gebruikt onderdeel van het project zijn.

Kies één projectcategorie. In een pilot test en verbetert u technologie onder omstandigheden die lijken op de praktijk. U onderzoekt onopgeloste technische vragen met geplande experimenten, legt uw werk vast en deelt resultaten die niet bedrijfsgevoelig zijn. Bij een demonstratie investeert de eindgebruiker in de apparatuur en wordt daarvan eigenaar; de installatie blijft na afloop in gebruik. Testfaciliteiten ondersteunen apparatuur waarmee meerdere gebruikers innovatieve technologie ontwikkelen, testen en opschalen voor productie, opslag, transport of gebruik van hernieuwbare waterstof, of voor toepassing van waterstof en hernieuwbare elektriciteit in chemische processen.

In de gesloten ronde van 2026 was de maximale subsidie €30 miljoen per demonstratie en €25 miljoen per pilot of testfaciliteit. Het totale budget was €38 miljoen. De percentages hieronder gelden voor subsidiabele kosten, dus niet noodzakelijk voor de volledige projectbegroting:

  • Pilots van bedrijven: 25%. Erkende onderzoeksorganisaties kunnen 80% ontvangen voor niet-economisch onderzoek, in plaats van commerciële diensten. Van apparatuur telt meestal alleen de afschrijving tijdens het project mee. De volledige kosten kunnen meetellen als u deze direct als kosten boekt en de apparatuur daarna geen restwaarde heeft; dit moet u onderbouwen.
  • Testfaciliteiten: 25% van investeringen in materiële en immateriële activa. Exploitatiekosten tellen niet mee. Het onderzoekspercentage van 80% geldt hier niet, omdat het om economische activiteiten gaat.
  • Demonstraties voor de productie van hernieuwbare waterstof: 45% van de investeringskosten. Voor andere investeringen onder de categorie hernieuwbare energie, zoals opslag of specifieke waterstofinfrastructuur, is het basispercentage 30%.
  • Milieudemonstraties, waaronder elektrolysers die ook niet-hernieuwbare waterstof produceren: 40% van de extra investeringskosten tegenover een geloofwaardig, minder milieuvriendelijk alternatief. Voor CO₂-afvang en -gebruik of -opslag is het basispercentage 30%. Accepteert RVO een berekening zonder dat alternatief, dan halveren deze percentages naar respectievelijk 20% en 15%.

Middelgrote bedrijven krijgen gewoonlijk 10 procentpunten extra en kleine bedrijven 20. Bij milieudemonstraties zonder referentie-investering halveren die toeslagen naar 5 en 10 punten. De maximale subsidie per project verandert hierdoor niet.

Voorwaarden

Een bedrijf in Nederland, Bonaire, Sint Eustatius of Saba kan alleen aanvragen of deelnemen aan een samenwerkingsverband met minstens één bedrijf. Het bedrijf voert het project voor eigen rekening en risico uit. Universiteiten, hogescholen en erkende organisaties voor toegepast onderzoek kunnen deelnemen, ook vergelijkbare buitenlandse organisaties. Het Rijk, provincies, gemeenten en openbare lichamen onder de Wet gemeenschappelijke regelingen kunnen zelf geen subsidie ontvangen. Waterschappen kunnen dat onder de toepasselijke voorwaarden wel.

  • Verminder de uitstoot in Nederland, inclusief Caribisch Nederland, binnen tien jaar na de projectstart. Rond het project binnen vier jaar af en start binnen zes maanden na de subsidiebeschikking. Begin vóór uw aanvraag niet met projectwerk, maak geen projectkosten en ga geen bindende verplichtingen aan voor apparatuur. Vergunningen voorbereiden, haalbaarheidsstudies en aankoop van grond waarvoor u geen subsidie vraagt, gelden niet als projectstart.
  • Onderbouw de technische en economische haalbaarheid, de slaagkans in de Nederlandse markt en uw vermogen om het project uit te voeren. Pilots moeten vernieuwend zijn tegenover de internationale stand van de techniek; demonstraties tegenover de Nederlandse stand. De subsidie moet verschil maken voor de uitvoering of de timing. Maak een bruikbaar plan om kennis te delen. Bij een demonstratie moet het milieuvoordeel in uw eigen organisatie ontstaan. Bij samenwerking tussen een bedrijf en een onderzoeksorganisatie mag die onderzoeksorganisatie niet het merendeel van de projectkosten dragen.
  • Laat zien hoe u de kosten betaalt waarvoor u geen subsidie krijgt. Verwachte inkomsten uit het project tellen niet als financieringsbron voor uw eigen bijdrage. Gebruikt u de vaste-uurtarief-systematiek van RVO, dan mag u uw eigen bijdrage niet financieren met de subsidie voor die projecturen.
  • Uw bedrijf moet voldoen aan de EU-toets voor een ‘onderneming in moeilijkheden’. Deze toets kijkt naar kapitaalverlies, insolventie, nog lopende reddings- of herstructureringssteun en bij grote bedrijven naar schuld- en rentedekkingsverhoudingen. De kapitaalverliestoets gaat over verlies van meer dan de helft van het geplaatste kapitaal, of het boekkapitaal bij ondernemingen met onbeperkt aansprakelijke vennoten. Mkb-bedrijven jonger dan drie jaar zijn hiervan uitgezonderd. Een groot bedrijf voldoet niet aan de ratio-eisen als in beide voorgaande jaren de schuld meer dan 7,5 keer het eigen vermogen was én de winst vóór rente, belasting en afschrijvingen minder was dan de rentekosten. Een lopende insolventieprocedure, of voldoen aan de criteria waarmee schuldeisers zo'n procedure kunnen starten, sluit subsidie ook uit. Reddingssteun met een nog openstaande lening of garantie, of een lopend herstructureringsplan, telt mee; COVID-19-steun valt buiten die reddings- en herstructureringsvoorwaarde. Behoort u tot een groep, dan beoordeelt RVO uw bedrijf en de volledige internationale groep, maar de uitkomst op groepsniveau is bepalend. Een aanvrager in moeilijkheden kan dus voldoen als de groep niet in moeilijkheden is. RVO kan wel aanvullende garanties vragen voor de financiering van uw eigen projectbijdrage. De oudste groepsentiteit bepaalt de leeftijd. Vul het beslisschema in en stuur de verklaring, jaarcijfers en het organogram mee.
  • Met een onderzoeksorganisatie moet vóór de start een samenwerkingsovereenkomst zijn getekend en aan RVO zijn gestuurd. Daarin staan afspraken over kosten, risico's, resultaten, kennisverspreiding en intellectuele eigendom.
  • Gedeelde testfaciliteiten moeten meerdere gebruikers transparante, niet-discriminerende toegang geven en marktprijzen rekenen. Ontbreekt een marktprijs, dan rekent u de kosten plus een redelijke marge. Bedrijven die minstens 10% van de investering financieren, kunnen evenredige voorrang of gunstiger voorwaarden krijgen; die voorwaarden maakt u openbaar.

Blauwe waterstof uit aardgas met CO₂-afvang, waterstof uit biomassa of afval, verduurzaming van gebouwen en waterstoftankinfrastructuur zijn uitgesloten. Fossiele brandstoffen mogen niet als waterstofdrager worden gesubsidieerd. Gewone projecten om de uitstoot van mobiliteit te verminderen vallen erbuiten; productie van duurzame transportbrandstoffen is een uitzondering.

Voor demonstraties van waterstofproductie en pilots die daarna in gebruik blijven, gelden aanvullende voorwaarden voor elektriciteit en emissies:

  • Een elektrolyser met een directe lijn gebruikt wind- of zonnestroom zonder tussenkomst van het net. De hernieuwbare elektriciteitsinstallatie moet in Nederland staan. Het vermogen mag niet groter zijn dan dat van de hernieuwbare productie-installatie. Die installatie mag maximaal drie jaar vóór de elektrolyser in gebruik zijn genomen. Bent u geen eigenaar, dan moet een stroomafnameovereenkomst minstens het elektriciteitsverbruik van de elektrolyser dekken.
  • Elektrolysers met een netaansluiting, ook gecombineerd met een directe lijn, moeten vóór 1 januari 2028 in gebruik zijn. Voor hernieuwbare waterstof uit netstroom zijn overeenkomsten met Nederlandse wind- of zonne-installaties nodig. Productie vindt in dezelfde maand plaats en het verbruik is niet groter dan de elektriciteitsproductie van die installatie. Vanaf 2030 moet deze afstemming per uur gebeuren, tenzij dit eerder wordt ingevoerd.
  • Bij netstroom kan ook niet-hernieuwbare waterstof worden geproduceerd als de uitstoot over de levenscyclus minstens 70% lager is dan de fossiele referentie van 94 gram CO₂-equivalent per megajoule. Bereken de uitstoot van netstroom op basis van de marginale opwekking tijdens de kwartieren waarin de elektrolyser netstroom afneemt en de netbalans wordt verrekend. Het hernieuwbare aandeel moet aan de hernieuwbare stroomvoorwaarden voldoen. Bij een gecombineerde aansluiting voldoet iedere stroomroute aan de eigen voorwaarden. Het elektrolyservermogen mag niet groter zijn dan het gecombineerde hernieuwbare productievermogen via de directe lijn en de overeenkomsten.
  • Elektriciteitsopslag moet achter dezelfde aansluiting zitten en alleen worden geladen met stroom die past bij de maand en hoeveelheid van de hernieuwbare elektriciteitsproductie.

Lever productie-, elektriciteits- en emissiegegevens aan RVO bij de subsidievaststelling en daarna vijf jaar lang jaarlijks vóór 1 april. De jaarlijkse inzending gaat over het voorafgaande kalenderjaar en bevat gegevens per maand. Deze informatieplicht vervalt zodra de minister een exploitatiesubsidie verstrekt. De plicht geldt niet als de elektrolyser nooit in gebruik is genomen of een pilot-elektrolyser bij de subsidievaststelling definitief uit gebruik is genomen. In het laatste geval levert u bij de vaststelling bewijs van de definitieve buitengebruikstelling. Voor productiemetingen zijn een meetprotocol en meetrapport nodig die een meetbedrijf heeft goedgekeurd. Bij uitsluitend hernieuwbare waterstof onderbouwt u per kalendermaand minstens 100% emissiebesparing tegenover dezelfde fossiele referentie. Bij gemengde of niet-hernieuwbare productie geldt per maand minstens 70% besparing over de levenscyclus. Een passend certificaat uit een door de EU erkend vrijwillig systeem kan de voorgeschreven productiegegevens vervangen als het de installatie, hernieuwbare productie en waar nodig de 70% besparing bij gemengde productie bewijst.

Andere publieke bijdragen kunnen uw subsidie verminderen. Provinciale en gemeentelijke steun moet binnen de toegestane staatssteunruimte passen. EU-subsidies zoals Horizon Europe en het Innovation Fund hebben daarnaast een grens voor de totale publieke financiering van dezelfde kosten. Andere rijkssubsidies worden afgetrokken. De bijzondere uitzondering om OWE-waterstofproductiesteun zonder aftrek te combineren is voor 2026 vervallen. SDE++ kan samengaan zonder vermindering van DEI+, maar DEI+ kan wel gevolgen hebben voor de SDE++-betaling.

Aanvragen

Status
gesloten
Opent
Sluit
Voorwaarden voor deze aanvraagronde
  • Gesloten aanvraagperiode van 2026; de voorwaarden beschrijven die ronde. Complete aanvragen werden op volgorde van binnenkomst beoordeeld zolang er budget was.[^c1][^c56]

De aanvraagperiode voor waterstof en groene chemie is tijdelijk gesloten. U kunt RVO uw projectidee laten beoordelen via het formulier op de officiële subsidiepagina. Een adviseur neemt daarna contact met u op.

In de ronde van 2026 diende u in via eLoket van RVO, met eHerkenning niveau 3 en machtiging voor RVO-diensten op eH3. Bereid het projectplan, de begroting, de CO₂-berekening en de verklaring ‘geen onderneming in moeilijkheden’ met onderbouwing voor. Een samenwerkingsverband wijst een penvoerder aan; iedere deelnemer geeft een ondertekende machtiging.

RVO beoordeelde complete aanvragen op volgorde van binnenkomst totdat het budget op was. Duurt een gesubsidieerd project langer dan twaalf maanden, dan levert u jaarlijks een voortgangsrapportage en openbare rapportage in. Vraag na afloop subsidievaststelling aan met een eindrapport. Voor subsidies vanaf €25.000 tot minder dan €125.000 is een bestuursverklaring nodig; vanaf €125.000 een controleverklaring van uw accountant.

Officiële bronnen